Hoofdstuk1 De Academie

Het is ochtend, de zon schijnt en de vogels fluiten. Een normale dag zou je zeggen, net als
elke dag maar deze dag had wat anders te melden… Het is 11 uur, geen wolk aan de lucht
ondanks dat de winter eraan komt.

“Opstaan! Het is al 11 uur geweest, kom op uit je bed” hoor ik een zware mannenstem roepen.
Ik klim overeind en open de gordijnen, vervolgens knijp ik mijn ogen dicht terwijl ik de
gordijnen weer dicht sla.. Wat een licht! In deze tijd van het jaar is dat niet normaal. Ik grijp
naar mijn boekenkast, sla een schriftje open en begin te schrijven terwijl ik mijn broek en shirt
aantrek.. Ik huiver als ik de stoelen beneden hoor schuiven, de trap hoor kraken.. Dan begin ik
te schrijven.

Mijn naam is Skylar en in dit schrift, begint mijn verhaal. Vanaf dit moment en deze tijd. Het
is 3 oktober, de winter moet beginnen.. Maar de zon schijnt nog erg.. En het is pas 11 uur in
de ochtend.. Ik kan een hoop over mezelf vertellen, de heksen denken dat ik speciale krachten
heb omdat ik iets heb overleeft wat mijn dood had moeten worden.. Omdat ik hier niet
geboren ben en geen heks ben zoals zij zijn.. Toch blijft mijn mentor volhouden dat ik speciaal
ben, misschien omdat ik mezelf ben.

Dat zware gekraak.. Dat is Cathasaigh, ik ken hem nog niet zo lang.. Maar hij is wel aardig.
Vanaf vandaag moet ik naar dezelfde school als hij gaat.. Maar ik mag hem niks zeggen dus
hij weet niet beter of ik ga naar een hoogleraar. Elke dag opnieuw..

“Skylar! Waar blijf je!!” Hoor ik vanuit de gangen, ik sla het schriftje dicht en neem een
spurt naar beneden “Ik kom al!!”. Onderweg pak ik mijn riem, zet de dolk en athame op die ik
heb gekregen en stijg ik op het zadel van mijn paard. Op het moment dat mijn mentor, Hátmèr
aangelopen komt schiet mijn paard weg. “Skylar! Verdomme!” hoor ik achter me terwijl ik
met een glimlach wegrijd.

Eenmaal vlakbij de stad laat ik mijn paard zijn eigen weg kiezen, dan trek ik mijn benen op en
haal het schrift weer uit mijn tas. Behendig pak ik nog even de teugels en houd ze tussen mijn
tanden zodat het paard weet dat ik ze nog vast heb, dan bind ik de teugels aan mijn polsen en
begin met schrijven.

Zoals ik dus zei, ga ik naar een aparte school, ze noemen het de academie. Ik weet niet
precies waarom ik erheen moet.. Maar wel dat ik niet gezien mag worden zoals ik ben.. Deze
school is voor jongens. Ik moet erheen van Hátmèr omdat ik speciaal ben en daarom moet ik
undercover.. Niet iets waar ik naar uitkijk..Dan kom ik met een vreemde jongen op 1 kamer en
dan ja..

Iemand schreeuwt wat naar me in een vreemde taal, dan zie ik dat hij naar een drol wijst..
Glimlachend draai ik mijn paard en sla ik aan tot galop. De man kijkt me verbaasd aan terwijl
ik wegrijd, toch zie ik een angst in zijn ogen.. Ik draai het paard weer om en kijk naar de man.

Tijdens het schrijven werd ik even onderbroken, mijn paard had op de grond gescheten, maar
de man die me erop wijst lijkt verstomd te zijn als hij mijn gezicht ziet, de angst is in zijn ogen
te lezen terwijl hij bukt en smeekt om een soort vergifenis. Waarom is iedereen zo bang voor
mij ? Ben ik dan zo erg?
Ineens word ik in mijn nek gegrepen als iemand op mijn paard springt en het paard aanspoort
tot een snellere pas, de woorden die hij uitspreekt versta ik niet. Maar het is zeker een man. Ik
grijp mijn schrift en pen vast en probeer me los te krijgen uit zijn greep, maar de man laat niet
los. Dan herinner ik me de dolk en grijp ik ernaar, ik steek achter me en neem de teugels weer
volledig over als ik het paard stop en zie hoe de jongen die achter me zat op de grond valt.

Ik haal de sjaal voor zijn mond weg en doe zijn capichon af. Op dat moment kijkt de jongen
me bang aan terwijl hij naar zijn buik grijpt. Als ik naar de wond wil kijken voel ik een steek
in mijn been. Dan glimlacht hij terwijl ik kijk naar het ijzeren zwaard dat mijn been raakt.
Nog voor ik kan ingrijpen hoor ik een zware schreeuw in een vreemde taal, dat is Hátmèr, dat
kan niet anders. Als ik voorzichtig om kijk staan Hátmèr en Cathasaigh achter me. Hátmèr
pakt de jongen bij zijn keel en loopt met hem een paar meter verderop terwijl Cathasaigh me
laat liggen en het zwaard uit mijn been trekt. Vreemd genoeg voelde ik enkel wat tintelingen.
Dan zet hij zijn handen op de wond die vervolgens bloedheet aanvoelt, met mijn tanden op
elkaar reik ik naar zijn handen om ze weg te halen als ik op dat moment een kou voel. Waar is
die jongen mee bezig? Uit frustratie laat ik me achterover vallen met alle concentratie op de
kou die onder zijn vingers op mijn been te voelen zijn. Dan doet hij mijn broek goed en houd
zijn hand voor me, als ik mijn hand naar hem uitsteek trekt hij me overeind, de wond in mijn
been is verdwenen. Vreemd kijk ik hem aan, dan steekt hij het zwaard van de jongen die me
neerstak in mijn riem en trekt me terug naar mijn paard om op te stijgen.

Cathasaigh draait zich om en Hátmèr trekt me mee naar de andere kant van de stad. Eenmaal
daar gekomen draait hij zich om en gaat op een groot kasteel af, dit is de academie. Die
richting ging Cathasaigh eerder al op. Onderweg geeft hij me mijn spullen, zodra ik de jas aan
heb en mijn sjaal goed heb gezet lijk ik volledig op een jongen, niemand zou me herkennen.
Dat was een feit.

Als we bij het kasteel zijn aangekomen zetten we de paarden opzij en lopen naar binnen. Dan
draaigt Hátmèr zich voor een deur om en zegt “Als je hier binnen bent, zeg je geen woord. Ik
zal uitleggen dat je niet kan praten. Als je dit wel doet verraad je jezelf” Op dat moment knik
ik en hij doet de deur open. Een man met een grijze baard en kleine bril zit achter het bureau
en de mannen omhelsen elkaar. De taal? Daar versta ik nog steeds niet veel van.. Maar ik haal
veel uit de uitdrukkingen. Dan vertrekt Hátmèr en geeft een klopje op mijn schouder met de
woorden “Het komt goed, hij brengt je naar je kamer waar je spullen al zijn. Veel succes”. De
paniek slaat toe, veel succes? Moet ik hier blijven? Maar praten mag ik niet.. Daarom knik ik
twijfelend terwijl hij de kamer verlaat.

De man kijkt me vriendelijk aan en gebaart me mee te komen.. Hij weet dus duidelijk dat ik
de taal niet spreek. In de gang slaat hij om, deze gang zit vol deuren, 2 deuren daarvan zijn
geel, het zijn grote dubbele deuren. Daar gaat hij naarbinnen. Gevolgt door allemaal deuren
met bordjes en vreemde namen. Dan zie ik een bordje staan waar mijn schuil achternaam op
staat, de man doet de deur open bij dit bordje en gebaard me dat dit mijn kamer is. Ook mijn
spullen staan er al en hij vertrekt. Even later komt hij terug met een briefje met engels
vertaalde tekst. Dat geeft hij aan me.

“Dit is jouw kamer, je deelt hem met iemand anders. Deze jongen komt later. Ik zal je later
nog een rooster geven je word om 15.30 in CB313 verwacht, in dit lokaal krijg je een eerste
vechtles, of in ieder geval de introducties”

Ik kijk op mijn horloge.. Het is 14.20 dus het duurt nog even voor die les is. Ik knik en pak
mijn schriftje terug, daar begin ik weer in te schrijven over wat er zojuist was voorgevallen.
Als ik nogmaals op de klok kijk is het 14.50 terwijl iemand op de deur klopt en binnen stapt.
Een jongen met een grote bril kijkt naar me en begint hevig te praten terwijl hij niet eens oplet
of ik wel kijk. Daarna trekt hij me mee naar buiten waar hij een zwaard in mijn handen duwt.
Vol paniek kijk ik toe hoe hij probeerd mijn zwaard te raken.. De jongen kijkt me vreemd aan,
dan zet ik het zwaard in het zand en loop weg. De jongen probeert me nog te stoppen, maar ik
pak mijn paard en vertrek. De jongen kijkt me na terwijl ik over het terrein rijd. Na een paar
minuten vind ik een mooie boom op het gras waar mijn paard kan grazen en ik kan zitten. Een
kwartiertje later zet ik mijn paard terug in de stallen en ga ik op zoek naar het lokaal, ik heb
nog 10 minuten. CB313.. Waar is dat? Ik kijk naar de grond en zie letters staan.. “CD” staat
er. Als ik goed over de grond kijk zie ik dat het een plattegrond is.. Ik kijk naar de letters en
bij “CB” volg ik de gekleurde lijn naar de 300. Deze leid naar een trap, eenmaal op de trap
staan er romeinse cijfers bij de deuren. XIIV, dat moet hem zijn! Dan loop ik de deur door,
deze staat open. Ik geef de brief die ik had gekregen aan de leerkracht die me even aanstaart
en zijn hand uitsteekt “Nöath, me Karäda” Ik knik en schud de hand. Dan ga ik zitten op een
stoel.

Een paar uur later luisteren naar een taal die ik niet ken is het afgelopen en gaat er een brand
alarm, de jongens schieten in paniek en de docent probeerd ze te kalmeren. De les is voorbij.
Het is 17.00 uur, om deze tijd kun je je omkleden, douchen en om 18.00 eten. Wij hebben niet
veel bijzonders gedaan, daarom probeer ik mijn kamer terug te vinden.

Als ik bij mijn afdeling ben, stap ik de deur binnen waar een jongen zit.. Als hij zich omdraait
schrik ik me rot. Het is Cathasaigh!? Deze dag kon niet erger.. Terwijl hij zich voorstelt weet
ik niet waar ik moet kijken. Zo snel ik kan maak ik dat ik ervandoor kan gaan, terug naar de
plek waar ik in die boom zat, dat zat lekker aan het water met alle stilte en vrijheid.

Tijdens het avond eten kijken verschillende jongens me aan, anderen beginnen te vechten en 1
iemand trekt me naar de toiletten. De jongens die om me heen staan lijken de jongen die me
naar de toiletten trok aan te moedigen terwijl ik een stomp in mijn maag ontvang. In elkaar
gedoken lig ik op de grond terwijl ik stomp na trap ontvang. Het enige waar ik aan kon
denken was mijn hoofd, die moest veilig blijven. Dan zie ik zijn veters, ze zijn los. In een
gewaagde poging duw ik zijn armen weg, trek ik hem onderuit en bind met een enkele knoop
zijn veters aan elkaar, in woede staat hij op en rent naar me toe maar door zijn veters valt hij
op de grond terwijl de jongens om ons heen lachen probeer ik me tussen hen door te wurmen
en maak ik dat ik weg kom.

Die avond val ik van vermoeidheid in het maanlicht in slaap, dat nog voor Cathasaigh terug
komt naar de kamer..